Slakken met een eigen huis.

 

 

In Nederland komen huisjesslakken en naaktslakken voor. Deze keer een stukje over de huisjesslakken. De naaktslakken komen een andere keer nog aan bod. Huisjes slakken komen overal voor behalve in gebieden die permanent bevroren blijven en in het midden van de woestijnen. Ze leven zowel in zoet en zout water en natuurlijk ook op het land, en over deze soort wil ik het stukje schrijven. Huisjesslakken eten schimmels, algen en vermolmd organisch materiaal, tuinafval en natuurlijk het bladgroen. Dit doen ze met een aangepaste bek met duizenden mini tandjes die op een rasp lijkt, waarmee ze laagje voor laagje het eetbare er vanaf schrapen om het te verorberen. In Nederland komen er rond de 90 soorten huisjesslakken voor, waarvan veel soorten momenteel helaas op de rand van uitsterven staan. De slak maakt twee soorten slijm aan om het kruipen te vergemakkelijken. Door dat slijm plaveiden ze als het ware een soort weg waar ze gemakkelijk overheen kunnen glijden. Maar als een slak zich verticaal moet gaan voortbewegen, wat uiteraard meer grip vereist dan bij het horizontaal voortbewegen, wordt er een ander soort slijm afgescheiden door de slak. Deze slijmlagen worden zilversporen genoemd. Slakken kunnen goed ruiken en kunnen op deze manier elkaar vinden. Want met hun ogen op de bekende steeltjes zien ze alleen maar schaduwen. En kunnen deze steeltjes bij gevaar intrekken. De onderste steeltjes gebruiken ze voor de tast.

 

 

Op foto 1 is een gewone tuinslak te zien en op foto 2 de grote glasslak die schitterend is gekleurd. Meestal lijkt het huis van deze slak op een doorzichtig stuk glas en wordt dan ook een doorzichtige glasslak genoemd. Nog een heel bekende in de tuin is de segrijnslak (foto 3/4) die best groot kan worden. En zoals u op foto 4 kunt zien, is er ook één met een zwart lichaam. Deze ben ik nog maar één keer tegen gekomen dus net als de grote glasslak best wel iets bijzonders.

 

 

 

De meeste slakken zijn hermafrodiet (tweeslachtig), dit betekent dat ze zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen bezitten. Sommige slakken zijn zelfs solitair en kunnen zich voortplanten zonder dat ze daar een andere slak bij nodig hebben. En ze leggen meestal groepjes ronde doorzichtige eitjes, een enkele keer per stuk zoals op foto 4 is te zien..

 

 

De eitjes komen al na twee of drie weken uit en zijn na twee maanden alweer volwassen. Overigens zijn er soorten die tot 400 eitjes kunnen leggen, daardoor kunnen ze in een (moes)- tuin zeer grote schade aanrichten. Alleen is dat eigenlijk onze eigen schuld, want de slakken eten liever geen groene planten. Maar juist de op de grond gevallen bladeren eten ze het liefst. Dus als we alle bladeren in de tuin opruimen roepen we het noodlot over ons uit. Overigens zijn de op de grond gevallen bladeren ook voor insecten een noodzaak om te overleven. Lieveheersbeestjes, springstaartjes, kevers etc. maken hier graag gebruik van zodat ze iets te eten hebben en een schuilplaats hebben om de winter te overleven. Ook gebruiken veel insecten de bladeren om daar hun winterslaap te houden.

 

 

Er zijn ook mini slakken zoals de slanke dwergslak die te zien is op foto 5. De mooie gewone barnsteenslak is op foto 6 te bewonderen. De zwartgerande tuinslak is op foto 7 te zien. En de enige slak met haartjes op zijn huisje is de haarslak. (zie foto 8)

 

 

 

 

De witgerande tuinslak is (ondanks de zwarte strepen) op foto 10 te zien. En op de laatste foto is het boerenknoopje te zien. Er zijn gewoon veel te veel slakken om te laten zien. Maar ik denk dat de diversiteit wel over is gekomen in deze column